De IJssel maakt Deventer tot een fietsstad met een gratis uitzicht. Je bent vanaf de Wilhelminabrug binnen een paar minuten in de uiterwaarden en daarna kun je alle kanten op. De routes hoeven niet lang te zijn om mooi te zijn.
Waarom de IJssel zo prettig fietst
De rivier is smal genoeg om de overkant altijd te zien en breed genoeg voor scheepvaart, wat onderweg vanzelf iets te kijken oplevert. De dijken zijn goed onderhouden, het verkeer is beperkt en er zijn nauwelijks klimmen. Daardoor is dit gebied geschikt voor bijna elk niveau.
Wat je wel moet inplannen is wind. Op de open dijk kan een stevige westenwind het verschil maken tussen een makkelijke en een zware tocht. Rijd de heenweg tegen de wind in als je de keuze hebt.
Naar het noorden, richting Olst en Wijhe
Een van de bekendste tochten gaat vanuit Deventer noordwaarts, langs de rivier richting Olst en Wijhe. De route tot Wijhe is ongeveer zevenentwintig kilometer, en met de terugweg erbij kom je op iets meer dan vijftig kilometer uit.
Direct aan de oever liggen niet overal fietspaden, dus loopt de route deels via het achterland van Olst en Wijhe. Onderweg passeer je landgoed De Haere, een gebied met oude lanen en bos dat een prettige afwisseling vormt met de open uiterwaarden.
Kortere ritjes vanuit de stad
Niet elke tocht hoeft een halve dag te duren. Een rondje via De Worp, langs het water en terug over de brug kost een klein uur en levert alsnog het beste uitzicht op de stad op. Ook richting Diepenveen fiets je in korte tijd door een landschap dat totaal anders aanvoelt dan de binnenstad.
Oversteken met de pontjes
Het leukste onderdeel van fietsen langs de IJssel zijn de veerponten. Vlak bij Deventer vaart een klein veer naar De Worp, zodat je vanuit de binnenstad zo de overkant bereikt. Verder stroomafwaarts liggen de veren bij Olst en Wijhe, en nog verder noordelijk het Kozakkenveer bij Veessen.
Met die overzetplaatsen kun je zelf een rondje maken. Je fietst aan de ene kant van de rivier naar het noorden, steekt over en komt aan de andere kant terug. Zo’n pontjesroute is ongeveer vijfenzestig kilometer lang, maar door bij een eerder veer over te steken kort je hem eenvoudig in.
Plannen met knooppunten
Het hele gebied is voorzien van fietsknooppunten. Je noteert een rijtje nummers en volgt onderweg de bordjes, zonder dat je een kaart of telefoon nodig hebt. Voor wie de omgeving niet kent, is dat verreweg de makkelijkste manier om een route te maken die precies zo lang is als je wilt.
Een tip is om je route zo te plannen dat je halverwege bij een dorp of een veer uitkomt. Dat geeft een natuurlijk pauzemoment en een duidelijk keerpunt.
Met kinderen of op een e-bike
Voor gezinnen is de vlakke ondergrond een groot voordeel. Een rit van vijftien tot twintig kilometer met een pontje erin is voor de meeste kinderen goed te doen, zeker als je het veer als het hoogtepunt van de dag inplant.
Op een elektrische fiets verschuiven de afstanden. Een rondje van vijftig kilometer is dan een middag in plaats van een dag, waardoor je verder het achterland in kunt. Houd wel rekening met de wind, want die vraagt ook op een e-bike extra accu.
Waar je op moet letten
- Veerponten varen niet het hele jaar door en niet bij elk waterpeil
- Bij hoogwater kunnen paden in de uiterwaarden onbegaanbaar zijn
- In de uiterwaarden loopt vee los, doe hekken achter je dicht
- Op de dijk is nauwelijks schaduw, neem water mee
- Tussen de dorpen zijn de fietspaden ’s avonds vaak onverlicht
Rustig of doorrijden
Op de dijken deel je de ruimte met wandelaars, racefietsers en soms landbouwverkeer. Op smalle stukken is het prettiger om achter elkaar te rijden en om je bel te gebruiken voordat je inhaalt.
De kracht van dit gebied is dat je met dezelfde vertrekplek elke keer iets anders kunt doen. Kort langs het water, lang naar het noorden of een rondje met een veerpont erin. De rivier ligt er toch.


